Opschorting handhaving Wet DBA verlengd tot 2020

Opschorting handhaving Wet DBA verlengd tot 2020

Opschorting handhaving Wet DBA verlengd tot 2020
Afgelopen week werd bekend dat het kabinet de opschorting van de handhaving Wet DBA heeft verlengd tot 1 januari 2020. Oorspronkelijk was het plan dat er medio 2018 een nieuwe wet zou komen, maar het net aangestelde kabinet heeft meer tijd nodig om die wet handen en voeten te geven. Laten we even kijken wat de actuele status is.

De Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (Wet DBA)
Even terug naar die wet DBA zelf. Die zal niet als het grootste wetgevende succes van onze overheid de boeken ingaan. De wet is in 2016 ingegaan en verving toen het stelsel met de Verklaring arbeidsrelatie (VAR). Doel was om de verantwoordelijkheden van de opdrachtnemer en de opdrachtgever bij het beoordelen van hun arbeidsrelatie beter in balans te krijgen. Op die manier zou beter kunnen worden gehandhaafd en met name aan de onderkant van de markt schijnzelfstandigheid worden teruggedrongen.

Onder de Wet DBA moet er in de overeenkomst tussen opdrachtgever en opdrachtnemer daadwerkelijk een opdracht worden afgesproken. Ook mag er geen sprake zijn van een gezagsverhouding. Door met goedgekeurde modelovereenkomsten te werken, werd dit ook gegarandeerd. Toch leidde de wetgeving tot veel onrust en onzekerheid bij zowel zelfstandigen als opdrachtgevers. Daarom werd de aanvankelijke opschorting van de handhaving (vanaf de invoering van de wet tot in mei 2017) verlengd tot 2018.

Het nieuwe kabinet heeft inmiddels besloten dat men de wet wil vervangen door nieuwe wet- en regelgeving. Omdat de verantwoordelijken - minister Koolmees van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en staatssecretaris Snel van Financiën – daar meer tijd voor nodig hebben, is de opschorting nu nogmaals verlengd tot 1 januari 2020. Als de Wet DBA dus straks wordt vervangen, is het een wet geweest die nooit volledig is gehandhaafd.

Verandert er helemaal niets door deze verdere opschorting?
Er verandert wel iets in de handhaving. Nu al werd er gehandhaafd bij kwaadwillende partijen. Per 1 juli 2018 zal de handhaving niet meer alleen de ernstigste gevallen betreffen, maar ook andere kwaadwillende opdrachtgevers die met schijnzelfstandigheid constructies werken. Concreet kan de belastingdienst vanaf 1 juli een opdrachtgever als kwaadwillend bestempelen als er aantoonbaar sprake is van een (fictieve) dienstbetrekking en bovendien sprake van een evidente en opzettelijke schijnzelfstandigheid.

De bewijslast blijft daarmee behoorlijk zwaar voor de belastingdienst, en in ons IT-werkgebied is dit natuurlijk minder aan de orde. Daarnaast mogen alle bedrijven vanaf juli 2018 een meer coachende rol van de belastingdienst verwachten, waarbij vragen snel worden beantwoord.

Wat gaat er uiteindelijk veranderen?
Staatssecretaris en minister broeden dus op de nieuwe wetgeving, waarbij de verschillende marktspelers inmiddels zijn geconsulteerd. In hoofdlijnen is natuurlijk wel bekend wat we ongeveer mogen verwachten:
• Het begrip gezagsverhouding zal eindelijk worden verduidelijkt. Zodat de verhalen van tafel kunnen dat zelfs het eenmalig bijwonen van een vergadering iemand automatisch werknemer maakt.
• In plaats van modelovereenkomsten zal er voor de bulk van de gevallen met een soort (en waarschijnlijk web-based) opdrachtgeversverklaring worden gewerkt.
• Er zullen specifieke regels komen om schijnzelfstandigheid aan de onderkant van de markt tegen te gaan. Bijvoorbeeld door het bepalen van een minimumtarief waaronder alleen met werknemers mag worden gewerkt. Of slechts voor zeer korte periodes met zelfstandigen.
• Bij opdrachten met hogere tarieven (denk aan 75 euro of meer per uur) voor korte periodes of niet reguliere bedrijfsactiviteiten geldt een op-out regeling waarbij de genoemde opdrachtgeversverklaring niet noodzakelijk is.

Voor de zomer moet er een zogeheten hoofdlijnenbrief in de kamer liggen waarin de belangrijkste punten zijn uitgewerkt. Dan weten we dus meer.

No Comments Yet.

Leave a comment

WordPress Security